Vanuit de systeemtheorie worden wetenschap en politiek begrepen als twee onderscheiden maatschappelijke systemen, elk met een eigen functie, die binnen een democratische rechtsstaat op elkaar moeten zijn afgestemd.
Wanneer wetenschap en democratie elkaars functie wederzijds versterken, ontstaat een weerbare en gezonde democratie. Maar wanneer die afstemming verstoord raakt—wanneer wetenschappelijke kennis wordt gemarginaliseerd of naar een “donker achterkamertje” verdwijnt—wordt de democratie kwetsbaar voor populisme, simplificatie en autocratisch denken.
In deze lezing wordt dieper ingegaan op de spanningen en grensvlakken tussen wetenschap en politiek, en op de vraag hoe beide systemen elkaar in evenwicht kunnen houden zonder hun eigen autonomie te verliezen.
